Marcia Jansen

Journalist

Ironman Whistler: finish met een lach

| 1 Comment

Mistdampen hangen boven Alta Lake en de zon komt op achter de bergen. Tussen zo’n tweeduizend groene en roze badmutsen wacht ik op het strand tot ik het water in mag. De zenuwen gieren door mijn keel. Zelfs het geruststellende ‘Everything’s gonna be alright’ van Bob Marley, dat even daarvoor door de wisselzone klonk, kan daar niets aan veranderen. 3,8 kilometer zwemmen is geen probleem, maar 180 kilometer fietsen heb ik – zelfs in mijn periode als wielrenster – nog nooit gedaan. En alsof 180 kilometer fietsen nog niet zwaar genoeg is, staat er als toetje ook nog eens een marathon op het programma…

Als de professionals zijn vertrokken, zoek ik de tussen de agegroupatleten een plekje in het water. Zwemmen is mijn sterkste onderdeel en ik besluit dan ook een positie zo dicht mogelijk aan de zijkant van het veld te vinden, zodat ik in een rechte lijn naar de eerste boei kan zwemmen. Ook al is het risico zo groter dat ik in een kluwen van maaiende armen en trappelende benen terechtkom. Al watertrappelend wacht ik op het startsignaal en dan ineens zijn we onderweg. Mijn strategie is om tweehonderd meter flink door te zwemmen en daarna mijn eigen tempo te kiezen. Tot mijn verbazing zwem ik niemand in de weg en ligt ook mij niemand in de weg. Ik vind een roze badmuts die een prettig tempo aanhoudt. Niet te langzaam, maar zeker ook niet te snel, want ik heb nog een lange dag voor de boeg.

Na de eerste ronde van 1,9 kilometer, waarin ik me niet al te veel ingespannen heb, wil ik er eigenlijk een schepje bovenop gooien. Ik doe een poging om de roze badmuts voor me in te halen, maar moet daar zoveel moeite voor doen, dat ik me toch maar weer terug laat zakken. Het lijkt me beter om relaxt verder te zwemmen, dan om een paar minuten tijdwinst te boeken en daarmee te veel energie te verspelen. Dus blijf ik dicht achter mijn voorgangster en zing wat liedjes in mijn hoofd om de tijd te doden. En voordat ik het weet, komt het publiek op het strand weer in zicht. Na een krap uur ren ik, als eerste in mijn leeftijdscategorie maar dat hoor ik pas later, het strand op en probeer mijn wetsuit uit te trekken. Dat lukt gedeeltelijk, want mijn rechtermouw blijft achter mijn horloge haken. Maar met wat hulp van vrijwilligers die klaar staan om de deelnemers het wetsuit van het lijf te trekken, ga ik uiteindelijk op weg naar mijn tas met fietsspullen en de omkleedtent. De wissel gaat snel – fietsschoenen aan, helm en bril op – en dan ren ik door de wisselzone, die nog helemaal vol met fietsen staat, en al zwaaiend naar Huib en de kinderen, richting het sunscreen team. Het is net acht uur geweest en het belooft een zonnige en warme dag te worden. Een laag zonnebrandcrème is geen overbodige luxe, schat ik zo in.

Eenmaal op de fiets mogen we meteen een klimmetje op. Het is een mooie test voor wat er nog komen gaat, maar de benen voelen goed. Wat een opluchting. Ik eet en drink wat en fiets vanuit Whistler richting Whistler Olympic Park, waar in 2012 tijdens de Winterspelen in Vancouver de crosscountry skionderdelen plaatsvonden. Liggend in mijn aerodynamische stuur verwacht ik dat al snel hordes triatleten me zullen passeren, maar dat gebeurt niet. Eenmaal op de negen kilometer lange beklimming naar het skicentrum – waar ik tijdens de verkenning nog op twee beren stuitte – haal ik op een licht verzetje zelfs wat mensen in. Het is goed voor de moraal, maar ik weersta de verleiding om al in de beginfase met mijn krachten te gaan smijten.

Na een pion op de top van de berg te hebben gerond, suis ik met een flinke vaart naar beneden. Genietend van het beeld van de eindeloze stroom fietsers die achter mij nog steeds de berg op kronkelt. Het is een makkelijke afdaling, recht toe, rechtaan, met hier en daar een flauwe bocht. Niet te vergelijken met de afdalingen in de Alpen of de Pyreneeën. Eenmaal beneden eet en drink ik weer wat en pak ik een fles water aan bij een verzorgingspost. Ik fiets dezelfde weg terug naar Whistler, waar Huib, de meiden en vrienden me langs de kant van de weg staan aan te moedigen. Op naar het tweede deel van het fietsparcours dat naar Pemberton leidt.

De weg naar Pemberton is een lange, geleidelijke afdaling, met hier en daar een stukje omhoog. In Pemberton staat mijn special needs bag klaar, met een reservebandje en luchtpatroon, maar die heb ik niet nodig. In een mooi tempo fiets ik richting Pemberton Valley. Als ik de besneeuwde bergtoppen om me heen niet had gezien, zou ik bijna denken dat ik in Nederland was. Er zijn boerderijen, er staan zwartbonte koeien in de wei en de weg is vlak. Vlak! Hier komt mijn aangeschafte, doch tweedehandse Wilier tijdritfiets goed van pas. Het keerpunt ligt op dertig kilometer en is niet te missen, want de asfaltweg gaat precies daar over in een gravelroad. Op de terugweg begin ik mijn rug te voelen, maar ik trap dapper door. Me ondertussen een beetje zorgen makend over de dertig kilometer lange klim terug naar Whistler. Want ‘what goes up, must come down’, of andersom in dit geval.

Ik begin vol goede moed aan de lange beklimming. Weer op de lichtste versnelling, maar de souplesse is nu ver te zoeken. Ik duw op mijn pedalen, denk aan positieve dingen en zie aan de andere kant van de weg de hekkensluiters in de race nog afdalen. Ik heb niet echt zin om te eten, maar probeer om in de laatste kilometers toch mijn bidon met UCan chocoladedrank leeg te drinken. De kilometers gaan langzaam, maar na iets meer dan zes uur fietsen, krijg ik Green Lake in zicht, waar ik straks een stuk omheen moet lopen. Eenmaal in Whistler zie ik Huib en de meiden weer. Ik grijns naar ze en fiets het laatste stukje richting de wisselzone. Daar lukt het me om – al was het een sprintafstand – van de fiets te springen. Ik doe vervolgens een halfslachtige poging om naar de omkleedtent te rennen, maar mijn benen zijn ontzettend stijf en ik kom niet verder dan tien meter voordat ik besluit toch maar te wandelen.

In de omkleedtent krijg ik mijn tas met hardloopspullen aangereikt. Na twee woorden met de vrijwilligster die mijn spullen aangeeft, te hebben gewisseld, vraagt ze of ik uit Nederland kom. Tja, dat accent raak ik maar niet kwijt. Terwijl ik me omkleed en een droog shirtje en broekje aantrek, vertelt zij dat ze met haar ouders op zevenjarige leeftijd naar Canada is geëmigreerd. Na een pitstop in een porta potti en wederom bij het sunscreen team, ben ik onderweg voor 42 kilometer hardlopen. Slik.

Het is warm en ik probeer bij iedere feed zone iets te drinken. Het parcours voert eerst naar Lost Lake waar we een stuk van de route over een gravelpad lopen. Dit gedeelte kent een paar steile klimmetjes en ik voel mijn spieren branden. Eenmaal om het meer, voert het parcours langs het huisje waar we verblijven en daar zie ik Huib. De kinderen liggen in het zwembad. De ronde langs Green Lake is redelijk vlak en ik houd het tempo er manmoedig in. Na twintig kilometer wordt het al zwaarder en als ik voor de tweede keer richting Lost Lake ga, kan ik maar aan één ding denken: wandelen. Twintig kilometer is veel te vroeg, houd ik me voor, maar beloof mezelf dat ik op een steil klimmetje wel even wat rustiger aan mag doen. Eenmaal terug bij ons huisje zie ik Huib niet. Dat is een tegenvaller. En voor ik het weet wandel ik ook een vlak stuk.

Ook wandel ik in de verzorgingszones, zodat ik rustig kan eten en drinken. En ik stop bij iedere dixie die ik maar zie om te plassen. Terwijl ik nog maar weer eens een stukje wandel, zie ik ineens Huib. Op zijn mountainbike. Hij vraagt waarom ik wandel. Ja, waarom eigenlijk? Ik ben moe. Maar ik heb geen kramp, blessures en ik hoef ook niet over te geven. Het zit allemaal in mijn hoofd, vertel ik hem. Nou rennen dan, roept Huib. En daar ga ik dan, terwijl Huib stukken met me mee fietst. Nu lukt het wel. Zelfs helemaal tot de finish.

In de laatste drie kilometer vlieg ik mensen voorbij. Ik ga het halen! Vijfhonderd meter voor de finishlijn zie ik Donna, Nina en twee vriendinnetjes. Aan de andere kant van het hek rennen ze met mee. Ik lach en deel in de laatste honderd meter nog wat high fives uit. Van te voren had ik verwacht, watje als ik ben, dat ik in tranen over de finish zou komen. Het tegendeel is waar. Na 12 uur, 14 minuten en vier seconden kom ik met een big smile over de finish. Mijn belangrijkste doelen gehaald: gezond finishen, het liefst tussen de 12 en 13 uur, en met een lach op mijn gezicht!

 

One Comment

  1. Allemachtig Marcia, wat is dit een geweldige prestatie van jou! Hoe is het mogelijk om zoiets te presteren? Wat een power en doorzettingsvermogen! Petje af, ik ben supertrots op je. Prachtig geschreven ook, dat kan toch nooit tijdens het zwemmen, fietsen en hardlopen zijn gedaan. Je bent een echte ‘power woman’!

Leave a Reply

Required fields are marked *.

*